vrijdag 20 december 2013

De Economische en Monetaire Unie en Belgie

De Economische en Monetaire Unie en Belgie
Themanummer van Trefpunt Economie eind 2001 tgv de invoering van de Euro muntstukken en biljetten per 1 januari 2002.
Uitvoerig artikel over de invoering van de euro in een themanummer van het tijdschrift Trefpunt Economie met beknopte uiteenzetting van de vier convergentiecriteria van het Verdrag van Maastricht. De hoofdmoot van het artikel handelt over het scenario van het uitrollen van de nieuwe munteenheid en de praktische gevolgen zoals het in omloop brengen van muntstukken en biljetten in euro vanaf 1 januari 2002. Het themanummer bevat als bijlage tevens een lijst van de toepasselijke Europese en nationale wet- en regelgeving.

De kwalificering van de lidstaten voor deelname aan de Europese monetaire unie (EMU) en de criteria waaraan dient voldaan te worden staan in artikel 109J van het Verdrag van Maastricht en zijn verder uitgewerkt in het protocol over de convergentiecriteria; De Commissie en het EMI brengen aan de Raad verslag uit over de vooruitgang die door de lidstaten is geboekt bij de nakoming van hun verplichtingen met het oog op de totstandbrenging van de Economische en Monetaire Unie...In deze verslagen wordt ook nagegaan of er hoge mate van duurzame convergentie is bereikt aan de hand van de mate waarin elke lidstaat aan de volgende criteria voldoet;
  1. het bereiken van een hoge mate van prijsstabiliteit; dit blijkt uit het inflatiepercentage dat dicht ligt bij dat van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabiliteit het best presteren en niet meer dan 1,5 procentpunt hoger ligt;
  2. het houdbare karakter van de situatie van de overheidsfinancien; dit blijkt uit een begrotingssituatie van de overheid zonder een buitensporig tekort als bedoeld in artikel 104 C, lid 6;
  3. de inachtneming van de normale fluctuatiemarges van het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, gedurende ten minste twee jaar, zonder devaluatie ten opzichte van de munt van een andere lidstaat
  4. de duurzaamheid van de door de lidstaat bereikte convergentie en van zijn deelneming aan het wisselkoersmechanisme van het Europees Monetair Stelsel, hetgeen tot uitdrukking komt in het niveau van de rentevoet voor de lange termijn, die niet meer dan 2 procentpunten hoger ligt dan die van ten hoogste de drie lidstaten die op het gebied van de prijsstabililiteit het best presteren. De rentevoet wordt gemeten op basis van langlopende staatsobligaties of vergelijkbare waardepapieren
  5. Alle lidstaten dienen ervoor te zorgen dat hun nationale wetgeving, inclusief de statuten van de nationale centrale bank (NCB), verenigbaar is met artikel 130 en 131 van het Verdrag en met de Statuten van het Europees Stelsel van Centrale Banken (ESCB). Deze verplichting, die ook van toepassing is op lidstaten met een derogatie, wordt ook wel “juridische convergentie” genoemd.
Het begrip 'buitensporige tekorten' bedoeld in artikel 104C van het Verdrag en aangehaald in artikel 2 van het Protocol betreffende Convergentiecriteria, wordt nader bepaald in een ander bijgevoegd protocol 'betreffende de Procedure bij Buitensporige Tekorten' dat het volgende bepaalt: "De [...] referentiewaarden zijn:
  • 3 % voor de verhouding tussen het voorziene of feitelijke overheidstekort en het bruto binnenlands product tegen marktprijzen
  • 60 % voor de verhouding tussen de overheidsschuld en het bruto binnenlands product tegen marktprijzen
Uitbreiding:
De convergentiecritera voor de Europese Unie zelf zijn in de eerste plaats vervat in de Criteria van Copenhagen. Een kandidaat-lidstaat voor de Europese Unie dient te beantwoorden aan de volgende zes criteria; een Europees land zijn, beschikken over stabiele instellingen, democratische principes respecteren, mensenrechten respecteren, een functionerende markteconomie hebben die bestand is tegen de concurrentie van de interne markt en het Europees gemeenschapsrecht overnemen en toepassen in eigen land.
Daarnaast zijn tussen de regeringsleiders en staatshoofden van de Europese Unie verdere afspraken gemaakt over te realiseren doelstellingen op economisch vlak. Van 2000 tot 2010 was zo de strategie van Lissabon afgesproken, dewelke nadien werd vervangen door de EU 2020 strategie.

Volgens de strategie van Lissabon diende de EU tegen 2010 te zijn veranderd in de meest concurrerende en dynamische kenniseconomie van de wereld, met een arbeidsparticipatie van 70% en een economische groei van 3%. Om het doeleinde te bereiken diende ieder land bovendien 3% van zijn bruto binnenlands product te besteden aan research & development. Verder was het streven om het Europese welvaartsmodel te verbeteren en het milieu te ontzien; de economische groei moest van duurzame aard zijn.

In de EU 2020 strategie wordt een arbeidsparticipatie van 75% nagestreefd, terwijl de vereiste inzake inspanningen voor research & development behouden blijft. Daarnaast dient het onderwijsniveau verhoogd te worden en de strijd tegen sociale uitsluiting opgevoerd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen